Examenvragen
1.
De hoogte van een zeereling moet minimaal zijn:
A 40 centimeter
B 50 centimeter
C 60 centimeter
2.
Een radarreflector is aan te bevelen bij slecht zicht en in het donker om:
A zeker opgemerkt te worden door schepen die radar hebben
B vergroot de kans door een radar van een ander schip opgemerkt te worden
C als teken dat u zelf radar heeft
3.
Hoe hoog moet een radarreflector aan boord van een zeilboot geplaatst worden:
A zo ver mogelijk op het achterschip, minstens 4 meter boven het water
B i.v.m. reflecties zo ver mogelijk van de mast, minstens 4 meter boven het water
C zo hoog mogelijk, minstens 4 meter boven het water
4.
Een in of nabij een vaarwater ten anker liggend schip moet op het voorschip voeren een zwarte:
A bol
B kegel (driehoek)
C ruit
5.
Aan de inrichting van een snelle motorboot worden speciale eisen gesteld.
Welke van onderstaande eisen horen daarbij?
A het registratiebewijs
B de motor onderbrekingsknop
C een deugdelijke voorruit
6.
Hoeveel bedraagt de rechter onderdoorvaarthoogte van de brug op onderstaand plaatje?
A 4,60 meter
B 5,00 meter
C 5,60 meter




